de afstand tussen weten en voelen
Een zoektocht naar Gods liefde, mijn eigen gevoelswereld en wat het betekent om kind van God te zijn
Er zijn vragen die zich niet gemakkelijk laten beantwoorden. Niet omdat de antwoorden niet in de Bijbel te vinden zijn, maar omdat er een verschil bestaat tussen iets verstandelijk weten en het persoonlijk ervaren.
Ik ben de laatste tijd steeds meer gaan nadenken over mijn verhouding tot God. Niet over de vraag of Hij bestaat, wie Hij is of wat Hij voor de mensheid heeft gedaan. Daarover heb ik vanuit de Bijbel veel geleerd en onderzocht.
Ik weet dat Hij de Schepper is. Ik weet dat Jezus mijn Verlosser en Middelaar is. Ik weet dat Hij voor mij gestorven is en dat Hij mij in Zijn Koninkrijk wil hebben.
Ik weet dat Hij van mij houdt.
En juist bij die laatste wetenschap wordt het ingewikkeld.
Want wat betekent dat eigenlijk voor mij persoonlijk? Hoe geef ik daar invulling aan? En waarom kan ik zoveel weten over Gods liefde, terwijl ik daar gevoelsmatig zo weinig bij ervaar?
1. Wanneer gebed een verplichting lijkt te worden
Het begint soms al 's morgens.
Wanneer ik wakker word en niet als eerste bid, komen er gedachten op dat ik God niet de eerste plaats geef. Dat mijn dag daardoor niet begint zoals die zou moeten beginnen. Dat ik eerst God had moeten zoeken.
Het merkwaardige is dat ik niet altijd een werkelijk verlangen ervaar om op dat moment te bidden. Er is vooral de gedachte dat ik het moet doen.
En juist daar ontstaat verzet.
Niet omdat ik God niet wil erkennen of omdat ik Hem niet de hoogste eer wil geven, maar omdat ik de aanleiding of het innerlijke verlangen niet ervaar. Het voelt alsof ik iets moet uitvoeren omdat het nu eenmaal hoort.
Tegelijkertijd heb ik jarenlang gehoord en gelezen dat een christen zijn dag met God moet beginnen. Jezus is daarin immers ons voorbeeld. Ook Ellen White schrijft nadrukkelijk dat het toewijden van onszelf aan God 's morgens ons eerste werk behoort te zijn.
Ik wil die raad niet zomaar terzijde schuiven. Ik wil mijn geloof niet aanpassen aan wat voor mij gemakkelijker voelt. Ik wil weten wat de Bijbel werkelijk leert.
Maar ik vraag mij wel af wanneer een liefdevolle gewoonte verandert in een innerlijke verplichting. En wanneer een verlangen om God te eren verandert in de angst dat ik Hem tekortdoe.
Ik merk dat ik soms niet eens zeker weet of ik werkelijk schuld voel. Of het schaamte is. Of mijn liefde voor God werkelijk liefde is.
Boosheid herken ik zonder moeite. Wanneer ik boos ben, is dat boosheid van hoofd tot teen. Maar bij gevoelens als schuld, schaamte, ontroering en liefde is dat veel minder vanzelfsprekend.
2. Het verschil tussen Bijbelstudie en een persoonlijke relatie
Er is iets merkwaardigs aan mijn geloofsbeleving.
Wanneer ik Gods Woord bestudeer, onderwerpen onderzoek, Schrift met Schrift vergelijk en verbanden ontdek, kan ik daar werkelijk van overlopen.
Dan ervaar ik enthousiasme, dankbaarheid en zegen.
Maar wanneer ik diezelfde betrokkenheid probeer te projecteren op mijn persoonlijke relatie met Jezus, op het gebed, op de wederkomst of op het vervuld zijn met de Heilige Geest, ervaar ik iets heel anders.
Dan lijkt er een gat te ontstaan. Een leegte die ik dwangmatig probeer te vullen, maar niet vanuit een duidelijk herkenbaar innerlijk verlangen.
Ik ken de Bijbel. Ik bestudeer de profetieën. Ik wil Gods Woord begrijpen en de waarheid ontdekken.
Maar als ik mijzelf vervolgens de vraag stel of ik Jezus werkelijk liefheb, of ik naar Hem verlang en of ik een persoonlijke relatie met Hem heb, wordt het ingewikkeld.
Ik weet wie Hij is. Ik weet wat Hij gedaan heeft. Maar gevoelsmatig ervaar ik doorgaans weinig.
Slechts op zeer spaarzame momenten heb ik weleens een overweldigend gevoel naar Jezus toe ervaren.
Over het algemeen weet ik niet zo goed wat ik met Jezus aan moet wanneer het gaat om het hebben van een persoonlijke relatie.
3. Weten dat Hij van mij houdt
Ik ken de tekst uit 1 Johannes 4:19:
'Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.'
Ik weet wat daar staat. Ik begrijp de volgorde. Gods liefde gaat vooraf aan mijn liefde.
Maar hoe geef ik daar persoonlijk invulling aan?
Moet ik meer verlangen voelen? Moet ik graag willen bidden? Moet ik Jezus missen wanneer ik niet met Hem bezig ben?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet, is dat ik God niet wil dienen om het eeuwige leven ervoor terug te krijgen. Ik wil Hem niet dienen als een soort investering, waarbij mijn gehoorzaamheid uiteindelijk een beloning oplevert.
Ik wil Hem dienen om wie Hij is.
Hij is de hoogste eer, aanbidding en erkenning waardig. Ik wil mij aan Zijn geboden houden omdat ik vind dat dit Hem de eer geeft die Hem toekomt.
Dat is voor mij geen handelen uit schuld of dwang. Daar sta ik achter. Daar voel ik mij goed bij.
Maar ik merk tegelijkertijd dat dit nog niet het antwoord is op de vraag hoe ik een persoonlijke relatie met Jezus ervaar.
Ik kan God erkennen, aanbidden en gehoorzamen, terwijl ik mij afvraag hoe het is om Hem ook persoonlijk nabij te ervaren.
4. Een vader die anders was
Tijdens deze zoektocht kwam er een afbeelding voorbij van de gelijkenis van de verloren zoon.
De afbeelding liet een vader zien die zijn terugkerende zoon tegemoet rent, hem omhelst en hem weer als zoon ontvangt.
Die afbeelding raakte mij.
Maar waarom?
Was het omdat de gedachte zo mooi en treffend was beschreven? Omdat ik de gelijkenis goed begreep? Omdat ik het prachtig vind wanneer een vader zo met zijn zoon omgaat?
Of raakte het mij om een andere reden?
Langzaam kwam er een vermoeden naar boven.
Mijn eigen vader was namelijk in veel opzichten het tegenovergestelde van de vader uit de gelijkenis.
De subtiele uitspraken die je als kind meekrijgt, zijn soms bepalend voor de manier waarop je naar jezelf kijkt. Bij mij was de tendens veelal dat je voor niets deugde en te stom was om voor de duvel te dansen.
Daar kwamen andere boodschappen bij:
Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg.
Een man mag niet huilen.
Bewaar je emoties voor jezelf.
Je moet sterk zijn.
Ik ben niet van mening dat ik het met die boodschappen eens ben. Integendeel.
Maar misschien hebben ze wel invloed gehad op de manier waarop ik met gevoelens, genegenheid en kwetsbaarheid omga.
Het beeld van de vader uit Lukas 15 roept mogelijk een verlangen op dat ik niet zo gemakkelijk onder woorden kan brengen.
Misschien verlang ik naar de vader die ik zelf graag gehad zou hebben.
Dat voelt ergens ongemakkelijk. Niet omdat ik dat verlangen verkeerd vind, maar omdat ik niet gewend ben om daar zo bij stil te staan.
5. Begrijpen is niet hetzelfde als voelen
Wanneer ik terugkijk op mijn jeugd, voel ik niet direct verdriet of boosheid over mijn vader.
Mijn gedachte is eerder: ook hij heeft, net als ik, gehandeld naar vermogen.
Ik kan begrijpen dat iemand zelf gevormd is door zijn omstandigheden, zijn opvoeding en zijn mogelijkheden.
Maar misschien moet ik daarbij een onderscheid maken.
Dat mijn vader naar zijn vermogen gehandeld heeft, betekent niet automatisch dat ik als kind niets gemist heb.
Beide kunnen waar zijn.
Ik hoef mijn vader niet te veroordelen om te erkennen dat bepaalde dingen anders hadden mogen zijn.
Tegelijkertijd wil ik mijn eigen karakter niet uitvlakken. Ik ben niet uitsluitend het product van mijn opvoeding. Ik heb ook mijn eigen persoonlijkheid, temperament en karakter.
Ik ben sterk in zelfstandig denken en handelen. Ik vertrouw op kennis, logica en eigen verantwoordelijkheid. Ik heb weinig behoefte om emotioneel afhankelijk te zijn. Ik kan moeilijk herkennen wanneer ik behoefte heb aan genegenheid. En ik vind het gemakkelijker om iets te begrijpen dan om iets emotioneel toe te laten.
Dat zijn eigenschappen die niet allemaal negatief hoeven te zijn.
Maar mogelijk zijn sommige ervan ook versterkt door wat ik vroeger heb meegekregen.
6. Een sterke behoefte aan zelfstandigheid
Er is nog iets wat ik bij mezelf herken.
Wanneer iemand mij onverwacht omhelst, kan ik dat als prettig ervaren. Ik voel mij dan gezien, gewaardeerd en geliefd.
Maar het hangt ook sterk af van het moment.
Wanneer ik druk bezig ben, ergens naartoe wil of geconcentreerd met iets bezig ben, kan een onverwachte omhelzing voelen als een inperking van mijn bewegingsvrijheid.
Dat geldt niet alleen voor één bepaalde persoon. Het maakt dan niet uit wie mij omhelst.
Dat betekent niet dat ik geen genegenheid waardeer. Het betekent dat mijn behoefte aan eigen ruimte op zo'n moment sterker kan zijn.
Ook in andere relaties herken ik dat mijn gevoelsbeleving anders kan zijn dan ik misschien zou verwachten.
Ik mis mijn kinderen en kleinkinderen bijvoorbeeld niet echt. Maar ik vind het wel fijn om bij hen te zijn en hen met een bepaalde regelmaat te bezoeken.
Ik kan verwondering ervaren, bijvoorbeeld in de natuur. Ontroering en dankbaarheid kan ik minder gemakkelijk plaatsen. Huilen kan ik wel, maar de emotionele reactie duurt meestal maar kort en weinig tot bijna nooit als anderen in de buurt zijn.
En wanneer ik alleen ben, kan ik helemaal mezelf zijn.
Dan ervaar ik vrijheid, rust en waarschijnlijk ook de afwezigheid van verwachtingen en prikkels van anderen.
Ik weet niet precies hoe ik dat moet duiden. Misschien is het allebei. Daarmee sluit ik samenzijn absoluut niet buiten, en definieer dat ook zeker niet als onaangenaam. Zelfs ik ben bij tijd en wijle een gemeenschaps "dier"
7. De innerlijke beoordelaar
Wanneer ik iets verkeerd doe, een fout maak of kritiek krijg, zijn mijn reacties behoorlijk uitgesproken.
Ik kan boos worden. Ik ga analyseren wat er is gebeurd. Ik kan mij tekortgeschoten voelen. Ik kan defensief reageren.
En vooral dat gevoel van tekortschieten herken ik sterk.
Het is niet eenvoudig om een fout te accepteren en achter mij te laten.
Het gaat daarbij niet alleen om de vraag of ik iets verkeerd heb gedaan. Het raakt het aan de vraag of ik zelf wel goed genoeg ben.
Misschien is er in de loop van mijn leven een innerlijke beoordelaar ontstaan die bijzonder kritisch is.
De boodschap 'je deugt voor niets' kan uiteindelijk een eigen leven gaan leiden, zelfs wanneer degene die haar ooit uitsprak niet meer aanwezig is.
Je hoeft dan niet meer door iemand anders veroordeeld te worden. Je beoordeelt jezelf.
Ik herken bij mezelf een combinatie van de behoefte om bekwaam te zijn, de controle te behouden, niet onbekwaam gevonden te worden en tegelijkertijd zelf het gevoel te hebben dat ik tekortgeschoten ben.
Ik weet niet in hoeverre mijn opvoeding daarvoor verantwoordelijk is. Mijn karakter speelt eveneens een rol.
Maar het is een patroon dat ik niet langer wil negeren.
8. God als Schepper, Rechter en Koning
Wanneer ik aan God denk, denk ik vooral aan de Almachtige Schepper, de Rechter en de Koning.
Dat is hoe ik Hem voornamelijk ken.
Ik erken Zijn grootheid. Ik erken Zijn gezag. Ik wil Hem de hoogste eer geven.
Maar God als Vader, als Degene die mij persoonlijk liefheeft en nabij wil zijn, is een minder vertrouwd beeld.
Misschien heeft mijn eigen vaderlijke ervaring daar invloed op gehad. Misschien is het ook mijn karakter. Ik weet het niet.
Wat ik wel merk, is dat ik de grootheid van God gemakkelijker kan begrijpen dan de persoonlijke betekenis van Zijn vaderlijke liefde kan ervaren.
Johannes 14:9 krijgt daardoor een bijzondere betekenis:
'Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.'
Misschien moet ik niet beginnen bij de vraag hoe ik meer liefde voor Jezus moet voelen, maar bij de vraag wie Jezus werkelijk is.
Hoe gaat Hij met mensen om? Hoe reageert Hij wanneer iemand Hem teleurstelt? Hoe behandelt Hij mensen die tekortschieten? Wat doet Hij wanneer iemand Hem afwijst?
Hoe is Jezus als Persoon?
9. De vader uit Lukas 15
Misschien is juist de gelijkenis van de verloren zoon een belangrijke ingang.
De zoon komt terug met een verhaal over zijn eigen onwaardigheid.
Hij heeft zijn woorden voorbereid. Hij wil erkennen dat hij niet langer waardig is om zoon genoemd te worden.
Maar de vader reageert anders.
Lukas 15:20 beschrijft hoe de vader zijn zoon al van verre ziet, met innerlijke ontferming bewogen wordt, naar hem toesnelt, hem omhelst en kust.
De vader wacht niet op een perfecte schuldbelijdenis.
Hij vraagt niet eerst om bewijs van verandering.
Hij herstelt de zoon in zijn plaats.
Dat vind ik een prachtig beeld.
Misschien raakt het mij omdat ik daarin iets zie wat ik zelf niet of onvoldoende heb gekend.
Een vader die niet vraagt om bewijs van liefde, maar zelf het initiatief neemt om lief te hebben.
Een vader die zijn zoon niet eerst vertelt wat hij allemaal verkeerd heeft gedaan.
Een vader bij wie je niet eerst hoeft te bewijzen dat je goed genoeg bent.
En misschien is het verlangen naar zo'n vader niet alleen een verlangen naar wat ik vroeger gemist heb, maar ook een mogelijke ingang om Gods karakter beter te leren kennen.
Ik hoef mijn eigen vader daarvoor niet te veroordelen.
Ik mag erkennen dat mijn beeld van vaderschap mede door mijn ervaringen gevormd is en dat God niet noodzakelijk lijkt op het beeld dat ik van mijn aardse vader heb meegekregen.
10. Wat ontbreekt er in mijn relatie met Jezus?
Wanneer ik mij voorstel dat Jezus tegenover mij zou zitten, zou ik Hem graag vragen willen stellen.
Ik zou met Hem willen praten.
Maar tegelijkertijd zou ik vooral willen begrijpen waarom Hij zoveel voor mensen over heeft.
Waarom geeft Hij Zichzelf? Waarom zoekt Hij mensen op die Hem afwijzen? Waarom blijft Hij liefhebben wanneer mensen Hem teleurstellen?
Ik denk dat ik daar veel over zou willen weten.
Misschien ligt daar een ingang die beter bij mijn karakter past dan proberen een bepaald gevoel op te wekken.
Niet beginnen met de vraag hoeveel ik van Jezus houd, maar met de vraag wie Hij is en wat Hem beweegt.
Johannes 13:1 vertelt dat Jezus de Zijnen, die in de wereld waren, heeft liefgehad tot het einde.
En vervolgens wast Hij de voeten van Zijn discipelen.
Hij weet wat er gaat gebeuren. Hij weet dat Judas Hem zal verraden en dat de andere discipelen Hem zullen verlaten.
En toch dient Hij hen.
Wat zegt dat over Jezus?
Misschien mag ik Hem eerst op die manier leren kennen.
11. De afstand tussen weten en voelen
Als ik alles bij elkaar neem, blijft er een belangrijke vraag over.
Ik weet dat God bestaat. Ik weet wie Jezus is. Ik weet wat Hij gedaan heeft. Ik wil Hem dienen en Hem de hoogste eer geven.
Maar ik ervaar doorgaans weinig gevoelsmatige verbondenheid.
Ik weet dat Hij van mij houdt, maar ik weet niet goed hoe ik die liefde persoonlijk moet ontvangen.
Ik wil een relatie met Hem, maar ik weet niet precies hoe die relatie er in mijn dagelijkse leven uit zou moeten zien.
Misschien heb ik geleerd om sterk te zijn, zelfstandig te denken, verantwoordelijkheid te dragen en problemen op te lossen, terwijl ik veel minder heb geleerd hoe ik liefde kan ontvangen zonder iets te hoeven bewijzen.
Misschien is mijn verstandelijke kennis over God verder ontwikkeld dan mijn vermogen om Zijn liefde persoonlijk te beleven.
Misschien spelen mijn karakter, mijn opvoeding en mijn manier van emoties herkennen daarin allemaal een rol.
Ik wil daar geen overhaaste conclusies aan verbinden.
Ik wil ook niet van mijn geloof een nieuw zelfverbeteringsproject maken. Niet opnieuw een lijst met dingen waaraan ik moet voldoen om te bewijzen dat ik een goede christen ben.
Ik wil begrijpen wat er werkelijk in mij omgaat.
En vooral wil ik Jezus beter leren kennen.
Niet om een bepaald gevoel te produceren. Niet om een beloning te verdienen. Niet om mezelf ervan te overtuigen dat mijn geloof voldoende is.
Maar om wie Hij is.
Misschien begint mijn verdere zoektocht daarom niet met de vraag:
Hoe leer ik meer van Jezus te houden?
Maar met een andere vraag:
Waarom heeft Jezus mij lief, en wie is Hij werkelijk?
En misschien mag ik voorlopig bij die vraag blijven.
Tot slot
Er is een verschil tussen weten dat iemand van je houdt en leren begrijpen wat het betekent om door diegene geliefd te zijn.
Dat verschil wil ik niet langer negeren of met religieuze verplichtingen proberen te overbruggen.
Ik wil het onderzoeken, vanuit de Bijbel, eerlijk en zonder mezelf iets wijs te maken.
Want misschien is het niet mijn gebrek aan kennis dat mij verder moet brengen, maar juist de ontdekking dat ik nog veel mag leren over de liefde die ik al zo lang verstandelijk ken.
Niet langer alleen onderzoeken wat God van mij verlangt, maar ook leren ontdekken wat Hij mij wil geven.




Reacties
Een reactie posten